Onderzoek Leidsekade 39 – Leidschendam

 

Verslag van een archeologisch onderzoek 

op het terrein Leidsekade 39 in Leidschendam  

Inleiding
In september 2007 is door de AWLV een kort archeologisch onderzoek gedaan bij het bouwrijp maken van een perceel aan de Leidsekade 39 op de hoek van de Starrevaart in Leidschendam (afb. 1). Uit een archeologisch vooronderzoek door het bureau RAAP was gebleken, dat de archeologische waarden van het terrein niet zodanig waren dat een professioneel onderzoek noodzakelijk was. Omdat er bij het vooronderzoek wel scherfmateriaal was gevonden, beval de gemeente Leidschendam-Voorburg de ontwikkelaar van het terrein een onderzoek door de werkgroep aan. De mogelijkheden voor onderzoek door de AWLV waren echter beperkt, omdat het terrein flink verontreinigd was.

Afb. 1. De onderzoekslocatie op de hoek van de Leidsekade en de Starrevaart in Leidschendam

Afb. 1. De onderzoekslocatie op de hoek van de Leidsekade en de Starrevaart in Leidschendam.

 

Geschiedenis van het terrein
In verband met de bouw van een paviljoen en vijf woningen op het terrein heeft het archeologische bureau RAAP in opdracht van Jachtwerf ‘De Watersport’ in juli 2007 een bureau- en inventariserend bodemonderzoek uitgevoerd.[1]

Afb. 2. Minuutplan van de gemeente Stompwijk uit 1819 waarop op het onderzochte terrein een gebouw is ingetekend (bron, De Groot 2007).

Afb. 2. Minuutplan van de gemeente Stompwijk uit 1819 waarop op het onderzochte terrein een gebouw is ingetekend (bron: De Groot 2007).

Op de kaarten van het Hoogheemraadschap Rijnland uit 1615 en 1647 en die van Kruikius uit 1712 is voor dit terrein geen bebouwing aangegeven. Eerdere bebouwing is niet waarschijnlijk, omdat veel middeleeuwse erven tot in de 19e eeuw in gebruik zijn gebleven. Pas op het minuutplan van de gemeente Stompwijk uit 1819 staat een gebouw centraal op het terrein (afb. 2). Gedurende de 19e en 20e eeuw is de bebouwing uitgebreid aan de noordzijde. Op de Krijgsspelkaart uit 1850 zijn al drie bouwsels zichtbaar. In 1979 zijn op de locatie een loods en een kantine neergezet.

Veldonderzoek door RAAP
Tijdens het veldonderzoek door RAAP zijn vijf grondboringen uitgevoerd. Daaruit bleek dat de bodem tot 2,6 meter diepte bestond uit opgebrachte of verstoorde grond met fragmenten van aardewerk en puin. Twee boringen werden zelfs gestuit door puin, mogelijk van gebouwen die er hebben gestaan. Verder bleek dat boven de klei in de diepere ondergrond (het Laagpakket van Worms, voorheen Calais genoemd) nog een intacte veenlaag aanwezig was. Daar heeft dus in de Late Middeleeuwen geen veenwinning plaatsgevonden, zoals blijkens grondboringen en opgravingen wel elders in de omgeving. Misschien omdat dat het perceel zo dicht bij het water ligt.

Onderzoek door de AWLV
Het onderzoek door de AWLV vond plaats op 18 september 2007 in een proefsleuf. Daarbij zijn drie waterputten aangetroffen (afb. 3). Door de hoge waterstand was het niet mogelijk om de inhoud van deze putten systematisch te bergen.

Afb. 3. Waterputten.

Afb. 3. Waterputten.

 

 

 

 

 

 

 

 

In de proefsleuf werden scherven van aardewerk verzameld en botmateriaal (afb. 4). Ook is een leren schoen gevonden. Verder zijn met een metaaldetector kleine metalen voorwerpen getraceerd.

Afb. 4. Archeologisch onderzoek door leden van de AWLV.

Afb. 4. Archeologisch onderzoek door leden van de AWLV.

Aardewerk (tabel 1)
Er zijn op het terrein 211 aardewerkscherven verzameld, alsmede elf pijpenkoppen en twintig fragmenten van pijpenstelen. De meeste stukken aardewerk zijn erg klein. De scherven zijn voor 70 procent afkomstig van roodbakkend aardewerk. Ruim tien procent is steengoed en tien procent industrieel vervaardigd wit aardewerk. De scherven van witbakkend aardewerk, faience en porselein maken per soort niet meer dan vijf procent uit van het totaal. Scherven van majolica ontbreken geheel.

Tabel 1, Aardewerk

soort en vorm bord fles grape kan kom of kop pot niet bekend totaal
steengoed 1 2 3 1 16 23
roodbakkend, ongeglazuurd 9 9
roodbakkend, geglazuurd 3 5 2 32 57 99
roodbakkend, geglazuurd met slibversiering 26 1 2 3 32
witbakkend aardewerk 2 5 7
majolica 0 0
faience 4 6 10
porselein 3 4 1 8
industrieel wit 3 6 14 23
totaal 41 1 5 3 17 36 108 211

 

Steengoed
Van de 23 fragmenten steengoed zijn er zeven van aardewerk uit het Duitse Westerwald, herkenbaar aan de grijze kleur met blauwe decoratie, en in één geval de applique van bloemen. De scherven zijn afkomstig van kannen, een pot en een fles. Opmerkelijk zijn drie scherven van een bruine kop van Engels industrieel vervaardigd steengoed, dat te dateren is tussen 1740 en 1900.

Roodbakkend aardewerk
Bijna alle roodbakkende scherven zijn geglazuurd. Daarvan is een kwart bovendien versierd met slib. Van de onversierde geglazuurde roodbakkende fragmenten zijn 32 afkomstig van een pot, vijf van een grape (een kookpot op drie poten), drie van een bord en twee van een kom of kop. De met slibversierde scherven zijn daarentegen in hoofdzaak afkomstig van borden (26 stuks), terwijl slechts enkele van een kan, kom, kop of pot zijn geweest.

 

Afb. 5. Grape uit de eerste helft van de 18e eeuw.

Afb. 5. Grape uit de eerste helft van de 18e eeuw.

Er zijn twee grotere fragmenten en wel van een grape (afb. 5) en van een pot. De grape heeft een schuin oplopende wand, een ronde steel en een diameter van 30 cm, en is alleen van binnen geglazuurd. Op de bodem zitten roetsporen. Hij is te dateren in de 18e eeuw.[2] De pot heeft een standring van 16 cm en is gezien de grootte mogelijk voor opslag gebruikt. Verder is er een bakje met een diameter van ongeveer 8 cm, waarvan de binnenzijde en de opstaande buitenrand zijn geglazuurd. Dit is waarschijnlijk een vogeldrinkbakje (afb. 6).

Afb. 6. Vogeldrinkbakje.

Afb. 6. Vogeldrinkbakje.

 

 

 

 

 

 

 

 

Tien kleine fragmenten slibversierd aardewerk zijn van geïmporteerd roodbakkend aardewerk uit het Nederrijns gebied in Duitsland en dateren, afgaande op de decoratie, uit de 18e of de eerste helft van de 19e eeuw. Uit diezelfde periode komen drie scherven van een pot met een versiering van ‘gemarmerd’ slib uit Friesland. Eveneens Fries zijn de scherven van twee koppen met een versiering van golfjes van slib uit de periode 1650 – 1850 en van een kan met een floraal motief in slib uit de periode 1750 – 1900.

Witbakkend aardewerk
Er zijn zeven fragmenten van nogal verweerd witbakkend aardewerk gevonden, waarvan twee van een bord.

Faience of Delfts blauw
Er zijn tien fragmenten van faience aardewerk. De vier herkenbare stukken zijn van Delfts blauwe borden afkomstig. Drie ervan hebben een florale decoratie in blauw.

Porselein
Van de acht fragmenten van porselein zijn er drie van borden en vier van koppen of kommen. De meeste hebben een decoratie in blauw van bloemen of een Chinees landschap. Een uitzondering is een beker met een tekst die begint met “Zaanda …”, waarschijnlijk een souvenirproduct uit Zaandam. Dit is – blijkens de kleur van het glazuur – het enige stuk dat niet uit Azië afkomstig is.

Industrieel wit
Van de drieëntwintig scherven van industrieel vervaardigd witbakkend aardewerk zijn er drie van een bord en zes van een kom of kop. Een bord heeft een bloemdecor op de rand en een kop is voorzien van een veelkleurige afbeelding van een dorp tegen een berg. Beide zijn met transfers aangebracht. Verder is een kop of kom versierd met verticale ribbels.

Tenslotte zijn er vier fragmenten van eenzelfde kopje van heel dun witbakkend aardewerk, dat waarschijnlijk tussen 1780 en 1830 in Engeland is vervaardigd. Het kopje heeft aan de bovenrand een diameter van 8 cm, is 3,5 cm hoog en heeft een standring van 3 cm diameter.

Pijpen (tabel 2)
Er zijn elf pijpenkoppen (ketels) gevonden: zeven zijn trechtervormig, één is ovaalvormig, twee zijn van het type Noordse grootkop en één is van het type Kromkop. Aan de hand van de hielmerken konden van vier pijpen de makers of hun opvolgers worden vastgesteld en in vijf gevallen de productieplaats Gouda. Van acht pijpen kon de periode worden bepaald, waarbinnen ze zijn vervaardigd. De oudste kunnen vanaf het einde van de 17e eeuw en het begin van de 18e eeuw dateren, terwijl de jongste nog in het begin van de 20e eeuw kan zijn gemaakt.

Naast de elf ketels zijn er twintig stukjes van stelen gevonden. Opvallend is een steel met in reliëf een dubbele slingerende rand met blaadjes en appeltjes met daarachter aan de ene zijde het tekstfragment ‘DIE NAER ORANIEN HA’ en aan de andere zijde ‘OOCK DESE PI(ofY)P NIET LA’ (afb. 7a en b). Uit vondsten elders blijkt het te gaan om een Oranjeleus die volledig luidt: DIE NAER ORANIEN HAECKT, OOCK DEZE PYP NIET LAECKT, oftewel wie een aanhanger van Oranje is, zal deze pijp niet laten liggen. Op de ketel, die aan de vondst ontbreekt, staat rechts in reliëf het prinselijk wapen met kroon en links in reliëf tussen bladertakken de tekst ‘VIVA ORANGIEN’. De pijp is gemaakt in Gouda in de periode tussen 1672 en 1685, toen prins Willem III stadhouder was.[3] Na een stadhouderloze periode van 22 jaar was hij was in het rampjaar 1672, waarin de republiek bijna van de kaart werd geveegd door Engeland, Frankrijk en de bisdommen Keulen en Münster, onder druk van de Orangisten achtereenvolgens benoemd tot kapitein-generaal en stadhouder. Hoewel prins  Willem III stevig in het zadel kwam te zitten, was er bij zijn aanhangers nog steeds behoefte om zich van de ‘Staatsen’ te onderscheiden, al was het maar door de pijp die ze rookten.

Tabel 2, Kleipijpen

code type hielmerk periode maker* plaats code Duco**
01 Noordse grootkop GI gekroond 1870-1910 Gouda
02 Noordse grootkop KB gekroond 1680-1859 Klaas Bal Gouda 424
reliëf
03 Trechtervormige ketel Triton gekroond 1715-1752 Klaar Kreeft Gouda 175
04 Trechtervormige ketel burg gekroond 1694-1860 Pieter Pieroo Gouda 309
05 Ovaalvormige ketel gekroonde M met daarboven MNO
06 Trechtervormige ketel ruiter te paard 1720-1816 Abraham van Heiningen Gouda 149
07 Trechtervormige ketel 7 stippen (beide zijden) 1713-17xx
08 Trechtervormige ketel 1713-17xx
09 Kromkop steel versierd 1880-1920
10 Trechtervormige ketel***
11 Trechtervormigeketel***

 

  •  *    In de lijst is de naam van de eerste maker opgenomen, omdat deze ook de eerste eigenaar van de gietmal is geweest.
  • **   Duco, D.H., 2003
  •  *** Fragment

 

Afb. 7a Achterzijde van de steel van een pijp met Oranje propaganda.

Afb. 7b. Voorzijde van de steel van een pijp met Oranje propaganda.

Afb. 7a en b. Voor- en achterzijde van de steel van een pijp met Oranje propaganda.

Glas
Er is slechts één glasfragment gevonden en wel een flesbodem met een ziel.

Bouwmateriaal
Er werden vijf fragmenten van aardewerken tegels aangetroffen, vier van dakpannen en vijf van baksteen. Daarnaast zijn drie stukken natuursteen gevonden: twee stukken tweezijdig recht behakt (25 mm dik) en een stuk eenzijdig recht behakt en aan de andere zijde ruw met cement.

Twee van de vijf tegelfragmenten zijn in blauw beschilderd: het ene met alleen een bloemvaas en het andere met een bloemvaas in een kwadraat (afb. 8). Die decoratie dateert ze in de 17e eeuw.[4] Twee andere tegelstukken zijn wit geglazuurd. Tenslotte is er nog een ongeglazuurde tegel met aan de onderkant resten van mortel.

Afb. 8. Fragment van een tegel uit de 17e eeuw.

Afb. 8. Fragment van een tegel uit de 17e eeuw.

 

Metaal
Met behulp van een metaaldetector zijn op het terrein elf metalen voorwerpen gevonden, namelijk een munt, een passer, een fragment van een schaar, een deel van een zegelstempel, een vingerhoed, drie knopen, twee gespen en een ringetje. De munt is een koperen duit van 1739 uit de provincie Holland. Op de voorzijde staat ‘HOLLANDIA 1739’ en op de achterzijde is een omheinde tuin afgebeeld met een leeuw die een stok vasthoudt met daarop een hoed (afb. 9a en b).

Afb. 9a en b. Koperen duit van 1739 uit de provincie Holland.

Afb. 9a en b. Koperen duit van 1739 uit de provincie Holland.

           Afb. 9b. Koperen duit van 1739 uit de provincie Holland.

 

 

 

 

 

 

Het messing steekpassertje is 63 mm lang en is aan weerszijden versierd met horizontale en diagonale streepjes (afb. 10). Een S-vormige inkerving op een van de benen zou een merkteken kunnen zijn. Koperen steekpassers werden gebruikt voor het meten van afstanden. Met name in de scheepvaart waren ze in gebruik als kaartpassers. In Den Haag is een vergelijkbare passer gevonden tezamen met materiaal uit de 17e en 18e eeuw.[5]

Afb. 10. Messing steekpassertje.

Afb. 10. Messing steekpassertje.

                                                     

Afb. 11. Fragment van een koperen schaartje met een gestileerde afbeelding van een vogel.

Afb. 11. Fragment van een koperen schaartje met een gestileerde afbeelding van een vogel.

Van de koperen schaar is alleen het onderste stuk van een van de twee samenstellende delen gevonden. Tussen de ring en de aanzet van het knipgedeelte is een gestileerde afbeelding van een vogel (afb. 11).

Het houdertje van het zegelstempel (25 mm hoog en 15 mm diameter) toont een bloem. Helaas is het zegel zelf verdwenen (afb. 12).

Afb. 12. Houdertje van een zegelstempel met de afbeelding van een bloem.

Afb. 12. Houdertje van een zegelstempel met de afbeelding van een bloem.

 

De vingerhoed is van messing. Hij is geheel bedekt met putjes op de onderste rand na die is versierd met twee banden met diagonale streepjes (afb. 13). Qua toegepaste techniek kan de vingerhoed in Neurenberg gemaakt zijn, dat vroeger een belangrijke productieplaats van messing voorwerpen was.[6]

Afb. 13. Vingerhoed.

Afb. 13. Vingerhoed.

 

 

 

 

 

 

 

Van de drie knopen is er een hol en zijn er twee massief. Ze hebben alle een oogje om aan kleding te bevestigen. De kleinste knoop heeft op de voorzijde een floraal decor, terwijl er op de achterzijde letters staan (‘MARIA’?).

Een van de twee gespen is met rondjes en florale figuurtjes versierd en heeft een ankervormige tong (afb. 14). De andere gesp is ongedecoreerd.

Afb. 14. Gedecoreerde gesp.

Afb. 14. Gedecoreerde gesp.

 

Leer
Er werden een linkerzool van een schoen gevonden, fragmenten van randen en een leren veter. De nogal smal ingesneden zool heeft een lengte van ca. 20 cm, wat overeenkomt met (kinder)maat 32.

Bot
Op het terrein werden 15 stukken bot geraapt. Gezien de sterke fragmentatie gaat het om slacht- of etensafval.

Conclusie
Het gebruik van het terrein aan de Leidsekade op de hoek met de Starrevaart gaat blijkens de kaart van Kruikius uit 1712, waarop nog iedere bebouwing ontbreekt, niet verder terug dan het eerste kwart van de 18e eeuw. Dit wordt nu bevestigd door het korte onderzoek door de AWLV, waarbij vondsten zijn aangetroffen die op hun vroegst dateren uit het eind van de 17e eeuw.

Het gevonden materiaal kan afkomstig zijn van bewoners of gebruikers van het terrein, maar kan daar ook zijn terechtgekomen bij ophoging van het terrein met van elders aangevoerde grond.

Op het minuutplan van de gemeente Stompwijk uit 1819 staat een gebouw. In de loop van de 19e en 20e eeuw wordt deze bebouwing blijkens latere kaarten aan de noordzijde uitgebreid. Mogelijk is het puin dat RAAP bij de boringen heeft aangetroffen van deze bouwsels afkomstig. De AWLV vond bij haar onderzoek drie waterputten die op gebruik van het terrein wijzen. Over de aard van de bebouwing kon echter geen duidelijkheid worden verkregen.

Afb. 15. De locatie van het onderzoek ligt schuin tegenover de houtzaagmolen De Salamander.

Afb. 15. De locatie van het onderzoek ligt schuin tegenover de houtzaagmolen De Salamander.

 

Literatuur

  • Duco, D.H.,1992: Vorstelijke pijpen, Leiden.
  • Duco, D.H., 2003: Merken en merkenrecht van de pijpenmakers in Gouda, Amsterdam.
  • Groeneweg, G., 1992: Bergen op Zooms aardewerk. Bijdragen tot de studie van het Brabants Heem 35, Waalre.
  • Groot, R.W. de, 2007: Rapport: Plangebied Leidsekade/Starrevaart te Leidschendam; archeologisch vooronderzoek: een bureau- en inventariserend bodemonderzoek. RAAP dd. 10-07-2007; RAAP notitie: 2276, Weesp.
  • Korf, D., 1979 : Tegels, Bussum.
  •  Veen, M.M.A. van (red.), 2012: Opgravingen in de Bierstraat gemeente Den Haag, Haagse Oudheidkundige Publicaties 14, Den Haag.

 

Colofon

Verslag         : Wim van Horssen
Foto’s            : Joanneke Hees (vondsten) en Martin van Rijn (veldonderzoek)
Onderzoek    : Ton Gribnau (pijpen), Wim van Horssen (aardewerk en metaal), Hans Ooms en Martin van Rijn
Uitgave         : Archeologische Werkgroep Leidschendam-Voorburg januari 2015

 

[1] De Groot 2007
[2] Groeneweg 1992, p. 160
[3] Duco, 1992, p. 14-15
[4] Korf, 1979, p. 117-118
[5] Van Veen, 2012, p. 176
[6] Van Veen, 2012, p. 173