Onderzoek van de gevonden kleipijpen rondom Molen De Salamander

foto de Salamander

 

foto pijpenkoppen

 

Historie

In 1643 werd op enkele honderden meters ten noorden van de Leidschendam “ene wintsaegmolen” gebouwd. Het windrecht bedroeg vier gulden. In 1777 werd de oude molen vervangen door de bouw van een achtkantige houtzaagmolen. De molen was geheel gedekt met riet en van eikenhout opgetrokken. De zaagschuren bevonden zich onder de stelling van de molen. Een ijzeren as en roeden – met een vlucht van 21 meter – dreven de zagen aan.

In 1917 werd de molen eigendom van houthandelaar Jan Koerts uit Boskoop. De molen was toen behoorlijk vervallen en werd voor 7.000 gulden gerestaureerd. Twee ploegen draaiden continudiensten tussen vijf uur ’s morgens en tien uur ’s avonds om de stammen te zagen. Rond 1920 werd een stoommachine aangeschaft, zodat men minder van de wind afhankelijk werd. Direct na de Tweede Wereldoorlog werd een elektromotor van 60 pk in de molen geplaatst. Tot 1953 is de molen in bedrijf geweest.

Bij de bouw van flats in 1956 dichtbij de molen werd geen rekening gehouden met het windrecht en trad het verval van de molen in. Allerlei restauratieplannen liepen op niets uit. Wel werd De Salamander op de monumentenlijst geplaatst. In 1974 werd een sloopvergunning afgegeven, maar daar werd geen gebruik van gemaakt. Dankzij de verkoop van de molen in 1985 aan de Bohemen Groep en subsidies van de Europese Gemeenschap, het Rijk en de gemeente werd de restauratie ter hand genomen. Wel werd de molen zo’n honderd meter verplaatst richting de Vliet. Sinds 1995 is de molen weer in bedrijf.

Afb. 1. De onderzoekslocatie (oude plek van molen De Salamander)

Afb. 1. De onderzoekslocatie (oude plek van molen De Salamander).

 

Archeologisch onderzoek

Na de verplaatsing van de molen werd het verlaten perceel in 1996 door de toenmalige Archeologische Werkgroep Leidschendam op archeologische sporen onderzocht. In dit verslag zijn de bevindingen van de werkgroep weergegeven. Opvallend is het grote aantal pijpenkoppen dat werd aangetroffen. Dit rapport richt zich op de gevonden (fragmenten) van kleipijpen.

Er zijn betrekkelijk veel pijpenscherven gevonden, zodat de volgende vragen zijn gesteld:

  • Waarom zijn er op die plek zoveel kleipijpen gevonden?
  • Kan vastgesteld worden uit welke periode de vondsten dateren?
  • Is het mogelijk om na te gaan uit welke productiecentra de pijpen afkomstig zijn?
Afb. 2. Plattegrond van de oude en nieuwe standplaats van molen De Salamander

Afb. 2. Plattegrond van de oude en nieuwe standplaats van molen De Salamander met omliggende gebouwen.

Het zijn allemaal vondsten die tijdens het archeologisch onderzoek op het terrein van molen De Salamander zijn gedaan. De kleipijpen van omliggende locaties, zoals villa Windlust, molen De Hoop, Ankor en de Werf van Van Dongen, zijn in dit rapport niet opgenomen.

Herkomst

Door de grote hoeveelheid lijkt het onmogelijk dat de kleipijpen allemaal zijn gebruikt door de molenaars van De Salamander. Het is bekend dat het vuilnis van grote steden werd afgevoerd en op andere plekken buiten de stad voor bijvoorbeeld ophoging van terreinen werd gebruikt. De scherven zijn daar vermoedelijk dus terecht gekomen als (vuil)stort van een grotere woongemeenschap. Gezien de hoeveelheid en de kwaliteit van de pijpen is dit waarschijnlijk een stad geweest met gegoede middenstand. Dan zijn er feitelijk maar drie steden die hiervoor in aanmerking komen: Delft, Den Haag en Leiden.

De te gebruiken terminologie

Het pijpenmakersgilde ontwikkelt een groot aantal eigen benamingen voor de onderdelen van de pijp. De belangrijkste staan in afbeelding 3:

afb. 3. De belangrijkste onderdelen van de kleipijp

Afb. 3. De belangrijkste onderdelen van de kleipijp.

 

1. Pijpenkop, ook wel ketel genoemd.

2. Ketelopening, soms met getande versieringsrand.

3. Wand.

4. Hiel, plat om neer te zetten, later voorzien van een hielmerk.

5. Pijpensteel of rookkanaal.

 

 

 

Overzicht van het type kop en de ontwikkeling

Dubbelconische kop

Dubbelconische kopGangbaar van 1610-1690. In de loop van de tijd zijn er variaties in de modellen ontstaan. In Gouda ontstaat een slanke dubbelconische kop, waaruit zich een nieuw type ontwikkelt.

 

Trechtervormige kop

Trechtervormige kopDit model is ontwikkeld uit het dubbelconische type. Het begint omstreeks 1675 en blijft in gebruik tot omstreeks 1740. De slankere pijp heeft een grotere ketel waardoor meer tabak gebruikt kan worden. Ook is deze lichter van gewicht.

 

Ovale of ovoïde kop

ovoide kopDit is het bekendste type. Het oorspronkelijke trechtervormige model krijgt een grotere tabaksinhoud en men brengt de buitenlijn in symmetrie. De ontwikkeling start rond 1710 en dit populaire model blijft in productie tot rond 1840. In die periode worden natuurlijk kleine verbeteringen aangebracht aan de vorm. Met de lange dunne steel is het een goede pijp voor prima rookcomfort.

 

Kromkop

KromkopDit type heeft een staande kop. Het is ontwikkeld vanuit het ovoïde model. Het opvallende is dat de achterlijn is verlengd, waardoor het volume van de ketel toegenomen is. Er is geen specifieke bloeiperiode aan te wijzen, maar dit type is lange tijd in gebruik vanaf omstreeks 1750.

 

 

Rondbodemkop of hielloze kop

RondbodemkopDit type is vergelijkbaar met de kromkop.

 


Datering
en productiecentra

De meeste gevonden pijpen zijn geproduceerd in de periode van 1655 tot 1925. Een manier van datering is de vorm van de ketel. Aan de hand van deze omschrijving is ook de globale productieperiode vast te stellen.

Een tweede manier van datering voor de productieperiode is het bepalen wat voor type kroon voorkomt op de kop:

parelkroon ketelmerk

Parelkroon

ketelmerk

Periode: 1700-1750

bladerkroon hielmerk

Bladerkroon

hielmerk

Periode: 1720-1880

keizerskroon hielmerk

Keizerskroon

hielmerk,

Periode: 1750-1770

In totaal zijn er 320 pijpen gedetermineerd en zo veel mogelijk beschreven. Door de verwering in de grond zijn niet alle pijpen te herkennen. Ook blijkt dat er types tussen zitten die nergens beschreven zijn. Er is één vondst van een onderdeel van een zogenaamde Duitse pijp. Dit is een wit porseleinen verbindingsstuk tussen de kop en de steel. Dit porseleinen stuk is niet opgenomen in de lijst.

afb. 4. Voorbeeld van een pijp met een zwart verbindingsstuk.

afb. 4. Voorbeeld van een pijp met een zwart verbindingsstuk.

De productiecentra zijn onevenredig verdeeld. Er zijn 217 pijpen gemaakt in Gouda, 21 in Gorinchem, 26 in Schoonhoven en van 56 pijpen is het productiecentrum onbekend. Dit geeft een indicatie dat Gouda de grootste kleipijpenproducent in de regio was.

De meeste pijpenkoppen zijn gemerkt. De merken zijn onder te verdelen in drie categorieën:

  • hielmerk
  • ketelmerk
  • merkloos

Er zijn 220 hielmerken geteld. De meerderheid is afkomstig uit Gouda. De plaats van het merk is op de zogenaamde “hiel”, een extra stukje aan de pijpenkop (zie afbeelding 3). Daarnaast zijn ook de reliëfs van de ketel beschreven. De latere modellen zijn vaak voorzien van geheel versierde koppen. Dit zijn voorstellingen met veel detail.

De merkloze pijpenkop is anoniem, waardoor er meestal geen maker terug te vinden is. Onder de pijpen van De Salamander bevinden zich 56 exemplaren die geen merk hebben.

Afbeelding 5. Productiecentra van de pijpen van De Salamander

Afb. 5. Productiecentra van de pijpen van De Salamander.

 Van alle 320 pijpen is, voor zover mogelijk, de productieperiode bepaald. Onderstaande grafiek toont tot het laatste jaar van de productie van de betreffende soort pijpen per 25 jaar

Afbeelding 6. Laatste productiejaar van het soort pijpen van De Salamander.

Afb. 6. Laatste productiejaar van het soort pijpen van De Salamander.

Van alle 320 pijpen is, voor zover mogelijk, de productieperiode bepaald. Hiervan is per pijp een gemiddelde datering genomen. Onderstaande grafiek toont de verdeling van deze gemiddelde dateringen per 25 jaar.

Afb. 7. Gemiddelde datering van de productieperioden van de pijpen van De Salamander.

Afb. 7. Gemiddelde datering van de productieperioden van de pijpen van De Salamander.

 De Goudse merken werden nogal eens vervalst, op een zodanige manier dat de producten zelfs voor een kenner moeilijk van de echte Gouwenaren te onderscheiden zijn. Het is dus mogelijk dat het percentage Gouda aan de hoge kant is. Het aandeel “niet bekend” is hier circa 17%. Het determineren van pijpen vraagt namelijk veel ervaring en kan om tal van redenen nooit volledig zijn. Zo is het makersmerk nogal eens beschadigd en moeilijk te lezen. Heel vaak is er ook gewoon geen makersmerk op de kleipijp geplaatst. De herkomst moet dan op basis van andere kenmerken bepaald worden.

Het detailoverzicht van alle gevonden pijpenkoppen vind u hier.

 

Conclusie

Deze kleipijpvondsten van het Salamanderterrein zijn afkomstig uit diverse productiecentra.

Mogelijke antwoorden op de gestelde vragen:

  • Waarom zijn er op die plek zoveel kleipijpen gevonden?

Antwoord: Het terrein is opgehoogd met behulp van vuilstort bevattende al deze vondsten. Gezien de kwaliteit van het materiaal is de stort waarschijnlijk afkomstig uit Den Haag, Delft en Leiden.

  • Kan vastgesteld worden uit welke periode de vondsten dateren?

Antwoord: De pijpenkoppen die een merk hebben zijn te dateren zoals blijkt uit het overzicht in de bijlage. Ongemerkte koppen zijn alleen globaal te dateren aan de hand van de vorm van de kop. Er is een duidelijke piek in de dateringen waar te nemen tussen 1726 en 1800. Er zijn geen pijpenkoppen gevonden met een gemiddelde datering van voor 1650, wat overeenkomt met de bouwdatum van de molen in 1643.

  • Is het mogelijk om na te gaan uit welke productiecentra de pijpen afkomstig zijn?

Antwoord: Uit het overzicht blijkt dat van veel pijpen met merken de productiecentra zijn te achterhalen.

Literatuur

  1. Duco, D.H., 2003: Merken en merkenrecht van de pijpenmakers in Gouda, Amsterdam.
  2. Meulen, J. van.,1994: Gekroonde Roos en andere pijpenmakersmerken van Gouda. Uitgave van Pijpologische Kring Nederland en het Stedelijk Museum Gouda, Gouda.
  3. Oostveen, J. van, en A. Kleijweg, 2009: Tabakspijpennijverheid in Schoonhoven, Werkgroep PKN, Leiden.
  4. Kleijweg, A., 2004: www.kleipijp.nl/.
  5. Oostveen, J. van, Tabakspijpen uit de collectie Ton Wijkamp, www.academia.edu.
  6. http://www.claypipes.nl/merken/

 

Bijlage

Determinatielijst van de kleipijpen gevonden op het terrein van de houtzagersmolen “De Salamander” te Leidschendam.

Colofon

Verslag              Ton Gribnau, Ronald Zalmé en Kees van der Brugge.

Redactie            Robert Hirschel en Joanneke Hees.

Onderzoek        Ton Gribnau en Ronald Zalmé.

Uitgave             Archeologische Werkgroep Leidschendam-Voorburg

25 november 2015